Totaal aantal pageviews

maandag 27 februari 2017

Vlissingse marineman Hendrik Stofberg gesneuveld tijdens de Slag in de Javazee op 27 februari 1942



 

Na de Japanse aanval op de Amerikaanse marinebasis Pearl Harbor op 7 december 1941 werd het duidelijk dat ook in het Verre Oosten een oorlog aanstaande was. Nederland verklaarde de oorlog aan Japan dat overduidelijk een bedreiging was voor Nederlands-Indië met de rijke oliebronnen. Met overweldigend succes overrompelden Japanse strijdkrachten de geallieerde versterkingen op weg naar Nederlands-Indië. Australië, de Verenigde Staten, Engeland en Nederland bundelden de laatste krachten en riepen het zogenaamde ABDA-command in leven. De Nederlandse schout bij nacht Karel Doorman werd opperbevelhebber van het vlooteskader. Op 27 februari raakte dit in gevecht met Japanse zeestrijdkrachten. De gevolgen waren desastreus. Nederland verloor de kruisers Hr.Ms. De Ruyter en Java en de torpedobootjager Kortenaer. Veel belangrijker en zeker ook tragischer was het feite dat aan Nederlandse zijde 915 man omkwamen. In totaal verloren meer dan 2.300 man aan geallieerde zijde het leven. Vandaag is het 75 jaar dat de slag in de Javazee plaats vond. De geallieerde schepen die de eerste slag overleefden, werden in de twee daaropvolgende dagen tot zinken gebracht.

Aan boord van de Hr. Ms. Java bevond zich de Vlissingse marineman sergeant-machinist Hendrik Stofberg. Van hem is onder meer de onderstaande foto bewaard gebleven, beheerd door het Gemeentearchief Vlissingen. 


De Java is gebouwd bij de Kon. Mij. De Schelde in Vlissingen. Er zijn tekeningen, foto’s en andere archiefstukken van haar bouw bewaard gebleven in onder meer het Schelde-archief. Het Schelde-archief wordt beheerd door het Gemeentearchief Vlissingen. De turbines aan boord van de De Ruyter zijn overigens ook in Vlissingen gebouwd bij De Schelde.

Voormalig marineschip Hr. Ms. Noord-Brabant moest inrichting voor minderjarige TBS’ers rond 1922-1923 worden



Het originele uiterlijk als actief oorlogsschip

Als wachtschip in Vlissingen

Alleen in Den Helder ligt nu nog een wachtschip van de Koninklijke Marine. Dat is anders geweest. Vlissingen heeft tot na de jaren vijftig ook een eigen wachtschip. Soms kan het nog zelfstandig varen, soms afgemeerd langs de wal zonder eigen machines. Van alle wachtschepen die hier gelegen hebben, is de Noord-Brabant de bekendste. De Kon. Mij. De Schelde bouwt haar tussen 1897 en 1900. Het schip krijgt veel aandacht, ook in het buitenland. Het lukt De Schelde echter niet haar aan landen als Duitsland, Rusland en Japan te slijten. Na trouwe dienst, ook in Nederlands-Indië wil de marine van het schip af. De nieuwe eigenaar is het ministerie van justitie. Daar heeft men een nieuwe bestemming voor haar: logementschip voor minderjarigen ter beschikking gesteld van de regering. Alleen het ontbreekt justitie aan geld en het project wordt stopgezet en het schip opgelegd. Op 23 december 1925 wordt het teruggegeven aan de Koninklijke Marine.

Over het hoe en wat als beoogd logementsschip voor Justitie is in de literatuur niet veel geschreven. Het archief van de Vlissingse burgemeester C.A. van Woelderen (T482.3) biedt meer informatie. In 1922 is de vereniging de Jongens van de Ruijter opgericht. Deze vereniging waarbij Van Woelderen nauw is betrokken, wil het rijksopleidingsschip Noord-Brabant wel exploiteren. Met andere woorden niet alleen huisvesting maar ook opleiding voor 50 jongens geplaatst onder rijksvoogdij [zeg maar TBS’ers]. De bedoeling is haar af te meren in Vlissingen. De Nederlandse Redersvereniging ondersteunt het initiatief en wil bestuursleden leveren. Ook Waller, directeur van Stoomvaart Maatschappij Zeeland, treedt aan als bestuurslid. Het ministerie van Justitie bemoeit zich officieel niet met het initiatief krijgt Van Woelderen te horen. Eerst moet het Algemeen College voor het Rijks Tucht- en Opvoedingswezen rapport uitbrengen

De concept jaarlijkse exploitatie begroting bedraagt ƒ 83.900. Men gaat er vanuit dat het schip met een complete inventaris wordt overgedragen, de bestaande tuigage wordt versimpeld tot wat nodig is voor de opleiding en dat het Loodswezen een volledig uitgeruste kotter overdraagt. Er lagen toen een aantal kotters opgelegd en men wilde graag drie sets zeilen hebben. Een dergelijke set was destijds zeer duur en men wilde voorkomen dat zij tegen lage prijzen werden kocht. Dit hoge bedrag schrikt af. Dit ondanks dat het niet het streven is om alles zo mooi mogelijk te maken en de nieuwste snufjes op onderwijsgebied toe te passen. Het gaat er alleen om zo goedkoop bruikbare jongens af te leveren. Het moet een nautische opleiding worden met lessen in roeien, gymnastiek, splitsen, knopen en andere zeemanskennis. Voor zowel het onderwijs als de dagelijkse gang van zaken steunt men zwaar op de medewerking van de marine. Zo moeten standaard timmer-, smeed- en montagewerkzaamheden tegen kostprijs worden uitgevoerd door marinemensen. De vaste bemanning wordt geschat op 16 man, zoveel mogelijk gepensioneerde marinemensen want dat is goedkoper. De vereniging hoeft alleen het verschil tussen salaris in actieve dienst en het pensioen op te hoesten. Aan te trekken zijn 1 commandant, 1 chef d’equipage, 2 bootslieden, 2 onderofficieren, 6 matrozen, 1 schrijver, 1 bottelier-hofmeester, 1 kok en een bijkok. De vaste kosten worden op begroot ƒ 49.800. Hier bovenop komen de kosten voor de opleiding en verpleging van jongens ten bedrage van ƒ 34.100. Per jongen wordt bijvoorbeeld een bedrag van 23 cent uitgetrokken voor de dagelijkse voeding. Dit is gelijk aan wat de marine voor een matroos uittrok. Aan kleding en kooigoederen is men jaarlijks per jongen ƒ 125 kwijt.

De Noord-Brabant komt later toch naar Vlissingen. Het is een vorm van compensatie voor het verdwijnen van de onderzeedienst richting Den Helder. De matrozenopleiding in Gorinchem komt naar Vlissingen. Na een ingrijpende verbouwing in- en uitwendig meert in 1926 de Noord-Brabant langzijde de kade in de Eerste Binnenhaven recht tegenover het station. Ook de marinekazerne staat daar. Honderden lichtmatrozen worden hier opgeleid tot aan de Tweede Wereldoorlog toe. Doordat zij tevens dienst doet als wachtschip kan jaarlijks 200.000 gulden bespaard worden. Bijna de gehele Vlissingse marinekazerne staat ten dienste van de opleiding. Als we de krant mogen geloven, is Vlissingen een veel betere plek dan Den Helder, zeker als het vanuit opvoedkundig oogpunt wordt gezien. Ditzelfde wordt ook na de Tweede Wereldoorlog door het Vlissingse gemeentebestuur als argument aangedragen. Met de Noord-Brabant loopt het minder best af. In mei 1940 probeert de bemanning haar te laten zinken. Dit mislukt ten dele en zij steken haar dan in brand. Hetzelfde jaar sloopt men het wrak.

maandag 16 januari 2017

De torpedobootjager Hr. Ms. De Ruyter uit 1928 (de latere Van Ghent)





Voor het vertrek naar het Middelburgse Droogdok. Archief Kon. Mij. De Schelde 513.1624


De negentiende eeuw bracht een van de meest door zeelieden gevreesde wapens voort: de torpedo. Er werd een apart scheepstype voor ontwikkeld, snel varende kleine bootjes die de grote slagschepen bedreigden. Natuurlijk nam men tegenmaatregelen als snelvurende kanons en torpedonetten om gelanceerde torpedo’s tegen te houden. En er werd een nieuw scheepstype ontwikkeld, de torpedobootjager voor het opsporen en uitschakelen van torpedoboten. Bewapend met torpedo’s werden torpedobootjagers op hun beurt een potentieel gevaar voor de grote schepen. Hun kanons waren hiervoor te licht, maar met hun torpedo’s konden ze de genadeslag toebrengen na een zeeslag. Bovendien werden ze meer en meer gebruikt om konvooien te beschermen, speciaal toegespitst op onderzeebootbestrijding. Na de Tweede Wereldoorlog kwamen in de meeste marines torpedobootjagers in de plaats van hun grotere broer: de kruiser. Onze huidige luchtverdediging- en commandofregatten zouden in de Amerikaanse marine als jagers worden aangeduid.

 

De Koninklijke Marine heeft voor de Tweede Wereldoorlog drie klassen torpedobootjagers laten bouwen. De eerste was de Wolf-klasse of Roofdierklasse, gebaseerd op een ontwerp van de Engelse scheepswerf Yarrow en gebouwd tussen 1910-1913. Van de 8 stuks bouwde De Schelde er 6. Overigens bestaat de indruk dat bij de aanbesteding sprake was van prijsafspraken tussen de grote Nederlandse scheepswerven. De, in verhouding met buitenlandse torpedobootjagers, kleine scheepjes waren bestemd voor Nederlands-Indië. Hopeloos verouderd en veel te langzaam moest naar een opvolger worden gezocht. Zoals gebruikelijk speelde de financiën hierbij een (te) grote rol. Ambitieuze plannen werden in de kast gelegd tot men opnieuw voor een Engels ontwerp (HMS Amazon en Ambuscade) koos. In de jaren twintig werd begonnen met de bouw van de, opnieuw uit 8 torpebootjagers bestaande, Admiralen-klasse. De Schelde kreeg opdracht voor slechts één schip. Toen echter in Rotterdam de kruiser De Ruyter in aanbouw was, werd de Vlissingse De Ruyter omgedoopt in Van Ghent. De gehele Admiralen-klasse ging tijdens de Tweede Wereldoorlog in Nederlands-Indië ten onder op de Van Galen na, die in mei 1940 al in Nederland verloren was gegaan. De Van Ghent liep op 15 februari 1942 op een rif, verlaten door haar bemanning en in brand gestoken. Japanse bommenwerpers maakten later de klus af. In 1939 begon men in Vlissingen met de bouw van de Isaac Sweers en Philips van Almonde. De eerste werd in mei 1940 incompleet weggesleept naar Engeland, de tweede nog op de helling staande opgeblazen.

 

Op 17 december 1924 bracht de De Kon. Mij. De Schelde een offerte uit voor de bouw van de torpedobootjager Hr. Ms. De Ruyter, deel uitmakend van de zogenaamde Admiralen-klasse. Het contract werd getekend op 21/31 december 1924, terwijl het benodigde staal op 17 april 1925 werd besteld, het afschrijfwerk begon op 19 juni 1925 gevolgd door de kiellegging met bouwnummer 179 op de noordhelling in de Dokhaven op 27 augustus 1925. Op 14 april 1926 stond de romp in de spanten, beplating op 14 juni 1926 en de mevrouw Ferwerda-van der Poll liet haar op 23 oktober 1926 te water. Zij werd tussen 19-26 augustus en 3-13 oktober 1927 gedokt, niet in het Dok van Perry maar in het toen nog bestaande droogdok in het centrum van Middelburg. Op 29-30 augustus werd afgemeerd proefgedraaid gevolgd door technische proeftochten tussen 5 september 1927-21 april 1928 en tenslotte de officiële proeftocht op 21 april 1928. Op 27 juni werd de De Ruyter overgedragen aan de Koninklijke Marine waarna zij op 27 september datzelfde jaar vertrok naar Nederlands-Indië.

 

Waterverplaatsing 1.316 (standaard)-1.260 (uitgerust) ton en als afmetingen 93,574 tussen de loodlijnen)-98,15 (over alles) x 9,45-9,525 x 3,12 meter. De bemanning bestond uit 62 Europeanen en 67 inlandse schepelingen. Snelheid 15 (kruisvaart)-34 (contract)-36 (feitelijk) mijl. Met een olie bunker capaciteit van 370 ton en een snelheid van 15 knopen was de actieradius 3.250 mijl. De bewapening bestond uit 4-12cm no. 4 kanons, 2-7,5cm no. 6 anti luchtafweer kanons, 4-12,7mm machinegeweren, 2x3-53cm torpedo kanons en 4 dieptebommenwerpers. Gebaseerd op een ontwerp van de gerenommeerde Britse firma Yarrow. Kosten bij de eerste indienststelling ƒ 4.687,504,00.

donderdag 17 november 2016

De brievenboeken van Scheldedirecteur Jos van Raalte 1878-1909



 In het directiearchief van de Kon. Mij. De Schelde 1875-1970 (toegang 214) bevinden zich, naast de algemene serie brievenboeken over de jaren 1875-1900 inv.nrs. 24-195), ook 4 brievenboeken van directeur Van Raalte. Deze vier boeken (inv.nrs. 302-305) hebben betrekking op de periode 2 mei 1878-30 augustus 1909 en bestaan uit in 4 banden ingebonden zogenaamde doorslagen van verzonden brieven. Van de tekst van het origineel, m.a.w. de verzonden brief, wordt via een carbon techniek een kopie gemaakt op een tweede vel papier. De tekst werd als het ware doorgedrukt of doorgeslagen. De op deze wijze verkregen kopie of doorslag is gemaakt van zeer dun papier. De inhoud van de brieven is divers en varieert van het verkrijgen van orders, het onderhouden van contact met (potentiële) klanten en andere scheepswerven, de (financiële) afwikkeling van orders en personeelsaangelegenheden. De materiële staat van de doorslagen laat zeer te wensen over. De tekst is veelal slecht te lezen doordat zij verbleekt is en het handschrift van Van Raalte zelf draagt ook niet tot de leesbaarheid bij. Vanwege het cultuurhistorisch belang van de inhoud en vanuit behoudsoogpunt is besloten de bewuste 4 banden te digitaliseren. Na een aantal proeven bleek de beste optie het fotograferen van de achterzijde van de doorslag. Het gevolg is een afbeelding in spiegelschrift die vervolgens werd omgezet naar een leesbaar beeld. Om verder onderzoek te stimuleren, zijn de beelden vervolgens geupload naar archieven.nl (directiearchief Kon. Mij. De Schelde). Zo kan een geïnteresseerde vanaf een willekeurige plek de brieven raadplegen. De beschikbare viewer biedt de mogelijkheid tot vergroting zonder dat het beeld direct in kwaliteit afneemt. Daarnaast bestaat de mogelijkheid gebonden bladzijden te downloaden. Vanwege de arbeidsintensiviteit (per band minimaal een dag werk) is het niet mogelijk om op korte termijn alle brievenboeken op deze wijze te digitaliseren maar zal dat geleidelijk aan moeten gebeuren.

 
Fotocollectie (toegang 413) 53871 (FA44988)

Joseph Ephraim van Raalte vormde samen met hoofdingenieur Martin en scheepsbouwkundig ingenieur Janszen een trio dat veertig jaar lang de Kon. Mij. De Schelde vorm gaf vanaf de oprichting in 1875. Van Raalte was tussen 1875 en 1919 algemeen directeur. Uit dien hoofde was hij verantwoordelijk voor de administratie van de Kon. Mij. De Schelde en ondertekende hij ook namens het bedrijf. Geboren in Londen, Engeland op 18 oktober 1844 komt Van Raalte naar Nederland. Bij de Haagse Metaalpletterij en ijzergieterij L.I. Enthoven&Co. is hij vanaf 1860 werkzaam. Hij werkt hij zich vanaf de werkvloer van jongste bediende tot onderdirecteur op. Zijn volgende en tevens laatste werkgever wordt de Kon. Mij. De Schelde. Hij is tijdens zijn leven in Vlissingen ook actief in het maatschappelijke leven. Naast gemeenteraadslid tussen 1880-1919 is hij onder meer voorzitter van de liberale kiesvereniging Recht en Plicht en voorzitter van de Koninklijke Nederlandse Vereniging Onze Vloot. Op 27 januari 1926 overlijdt hij in Vlissingen waar hij ook begraven wordt. Martin en Janszen zijn dan al jaren eerder overleden. Van Raalte kon bogen op een uitgebreid netwerk wat de werf ten goede. kwam Zo was een familielid van hem Jacob Jacques van Raalte consul in Glasgow. Destijds was Engeland en dan met name de werven gelegen langs de Schotse rivier Clyde het industriële paradijs van Europa. Met de daar gevestigde Fairfield company onderhield de De Schelde tientallen jaren lang intensieve contacten.

vrijdag 4 november 2016

De Vlissingse accumulatorenfabriek oftewel de bouw van accu’s voor onderzeeboten 1921-1934


Kon. Mij. De Schelde inv.nr. 513-917.
Links staan de gebouwen van de accumulatorenfabriek in 192

Kon. Mij. De Schelde inv.nr. 513-991.
Het plaatsen van een accu in de onderzeeboot Hr. Ms. KIX in 1922

Kon. Mij. De Schelde inv.nr. 513-992.
Het plaatsen van een accu in de onderzeeboot Hr. Ms. KIX in 1922

Conventionele onderzeeboten hebben twee soorten machines, namelijk diesels en elektromotoren. De diesels zijn voor wanneer men boven water vaart en de elektromotoren als de onderzeeboot ondergedoken is. Een snuiver zeg maar intrekbare luchttoevoer- en afvoerpijp maakt het mogelijk de lucht in de onderzeeboot te verversen. Hierdoor kan men én de accu’s voor de elektromotoren opladen én op de diesels blijven varen zolang de snuiver boven water uitstak. Als de onderzeeboot geheel onder water is gedoken, is dat niet meer mogelijk. Voor de elektromotoren zijn grote accu’s nodig. Tot en met de Eerste Wereldoorlog komen die vanuit Duitsland vandaan. Dat wordt vanaf 1918 een probleem. Om hierin te voorzien worden accu’s in Nederland aangemaakt. Vlissingen is vanaf 1906 tot aan 1939 de belangrijkste Nederlandse scheepswerf die onderzeeboten bouwt. Het Zweeds/Amsterdamse Ackumulator Fabriksaktiebolaget Tudor Ingenieurs Bureau vraagt op 17 september 1921 aan de gemeente Vlissingen toestemming een zogenaamde accumulatorenfabriek te mogen bouwen. Er wordt een grote fabriekshal neergezet op de landtong aan de Tweede Binnenhaven kad. sec. C 1497 grenzend aan de houtzagerij van de Kon. Mij. De Schelde. Het 49.65 bij 23,25 meter grote gebouw wordt opgetrokken uit hout en steen, is met ruberoid bedekt en heeft betonnen vloeren. Een jaar later wordt het gebouw al uitgebreid met een werkplaats. Om de zware accu’s vanaf het land in een onderzeeboot te kunnen takelen, wordt een elektrische takel geplaatst die 1.000 kilo kan optillen. In het transformatorlokaal komen 2 omvormers van 50 ph draaistroom-gelijkstroom110 V in de fabriekshal te staan. Dit lokaal moet goed worden geventileerd zodat de aanvoer van voldoende koele lucht gegarandeerd is. Andere bepalingen zijn dat in de ruimten aangeduid met “Lading” niet mag worden gestookt of gerookt en de kunstmatige verlichting alleen uit elektrische gloeilampen mag bestaan. De machines mogen geen trillingen of lawaai veroorzaken. Omdat het om niet van gevaar ontblote werkzaamheden gaat, moeten mimimaal 6 brandblusapparaten aanwezig zijn. Er moet plaats zijn voor maximaal 10 mannelijke werknemers.

 

Het bedrijf gaat accu’s bouwen voor de onderzeeboten van de Koninklijke Marine. Tussen 1923 en 1926 zijn er gemiddeld 5 man inclusief een werkmeester aan het werk. Meer personeel is niet nodig vanwege het gebrek aan orders door de bezuinigingen bij de marine. In de daaropvolgende jaren wordt dat niet beter. Zo zijn er in 1927 nog maar twee man aan het werk en worden zelfs accu’s voor Turkse onderzeeboten gebouwd. Vanaf 1930 gaat het weer wat beter. Er zijn dan 6 man in vaste dienst en in december zijn 10 man aan het werk. Men maakt dan accu’s voor de O12 en de O 13. Toch komt er snel een einde aan de Vlissingse vestiging, vermoedelijk omdat er geen werk meer was. In 1934 wordt het telefoonnummer 377 aan een ander bedrijf gegeven. Het Amsterdamse hoofdkantoor heeft op 1 februari de accumulatoren business overgedragen aan Varta. In Vlissingen wordt twee jaar later de O16 gebouwd, gevolgd door de O20-21 in 1940. Ze worden nog steeds met Tudor-batterijen uitgerust, maar niet meer gemaakt in Vlissingen. De fabrieksgebouwen gaan tijdens de Tweede Wereldoorlog verloren.


Op 20 juli 1937 vraagt de Kon. Mij. De Schelde om toestemming tot het mogen plaatsen van een onderzeebootlaadstation op het zogenaamde Eiland op het terrein aan de Dijkstraat kad. sec. C 1451. In een eenvoudig gebouwtje van 8,54 bij 8,44 komt een man te werken. Deze is verantwoordelijk voor een schakelbord en omvormer met een vermogen van 600 Amp. 440 V gelijkstroom bij 375 omwentelingen. De elektriciteitscentrale van De Schelde levert de nodige stroom.

vrijdag 28 oktober 2016

Open Archievendag 2016 in Vlissingen was een succes

Op zaterdag 15 oktober 2016 stonden de deuren van het Gemeentearchief Vlissingen wijd open voor het publiek. Nu is dat op zich niets bijzonders, want maandag tot en met donderdag tussen 09.00 en 16.30 uur staan die zelfde deuren altijd open. Maar een keer per jaar is er open archievendag, dan krijgen bezoekers zelfs de kans om een blik, wat heet meerdere blikken, te werpen in de archiefbewaarplaats. De rest van het jaar is dat verboden gebied.
 
Dit jaar waren verantwoording en bewijsvoering de thema’s waarbij de oorspronkelijke bron het uitgangspunt was. Natuurlijk is het archief de cultuurhistorische blauwdruk van de Vlissingse genen, maar het is meer. Overheidsarchieven worden in principe gevormd om verantwoording aan de samenleving te kunnen afleggen voor het door dezelfde overheid gevoerde beleid. De (individuele) archiefstukken worden dan weer als bewijsstukken op tafel gelegd om aan te tonen dat de verantwoording juist en volledig is. Archieven zijn dan ook van oudsher een hoeksteen van onze samenleving omdat de rechten en plichten van een samenleving worden vastgelegd en worden bewaard. Onze Grondwet of de Amerikaanse Declaration of Independence zijn hier een goed voorbeeld van. Ja het zijn archiefstukken, maar wel met een overstijgende betekenis dan alleen een archiefstuk. In onze Grondwet staan de grondrechten van de individuele bewoner van Nederland.
 
Er waren dezelfde dag drie presentaties waarbij de sprekers ieder op hun zijn eigen wijze ingingen op de thema’s.
 

Ron van Maanen volgde het leven van De Schelde hoofdingenieur Martin in Vlissingen door gebruik te maken van het bevolkingsregister, geboorte- en overlijdensregister, de uitgebreide beeldbank van het gemeentearchief, foto’s van de Kon. Mij. De Schelde en marinescheepsbouwtekeningen. Hierbij werd ook teruggegrepen op wat verantwoording en bewijsvoering betekent en de rol die archieven hierin spelen.
 

Joep Bremmers bracht een aantal bekende Vlissingers als Brasser en Brouwenaar onder de aandacht. Hij kon aantonen welke Brasser de auteur was van de 18e eeuwse beschrijving van de stad Vlissingen door gebruik te maken van archiefbronnnen. Zijn verhaal sloot hij af door het tonen van een beeldsnijwerk voorstellende Apollo wat thuishoort op de stok van het muziekvaandel van de Vlissingse Harmonie Ons Genoegen. Vanaf nu weten we dat het gesneden is door Brouwenaar in de 19e eeuw. Hij was ook winnaar van de ereprijs van de Academie te Amsterdam in 1849.
 

Arthur Scheijde sloot het drieluik af door zijn presentatie over zijn boek In naam van De Ruyter en welke bronnen hij daarvoor gebruikt had. In een kleurige audiovisuele presentatie kwam zelfs De Ruyter als animatiefiguur aan het woord.
 

Er waren verder twee rondleidingen in de archiefbewaarplaats waarbij aan de hand van prenten en andere archiefstukken een en ander werd verteld over Vlissingen. Op de studiezaal stonden bovendien een aantal panelen met daarop foto’s van Vlissingse monumenten en de Tweede Wereldoorlog. Bovendien was op de studiezaal een doorlopende presentatie van plaatjes.
 

Belangstellenden konden vragen hoe een en ander op het internet te zoeken. Hiervoor was een beamer aangesloten en kon via een directe internetverbinding direct ‘live’ op vragen worden ingegaan, door het antwoord te projecteren op de tegenover staande muur.
 
Het Gemeentearchief Vlissingen presenteerde bovendien weer een aantal belangrijke bronnen, nu ook digitaal in te zien op het internet.
 
Het bevolkingsregister 1860-1921 stond al op het internet, zij het alleen in tekstvorm. Inmiddels zijn alle bladzijden gedigitaliseerd en gekoppeld aan individuele inschrijvingen. Hierdoor wordt het mogelijk om een Vlissinger te volgen in deze periode, waar hij woonde, zijn gezinssamenstelling etc. De scans kunnen nu thuis ook worden gedownload.
 
De Kon. Mij. De Schelde heeft haar archieven een aantal jaren geleden ondergebracht bij het Gemeentearchief Vlissingen. Sindsdien is er hard gewerkt aan de ontsluiting. Door de immense hoeveelheden gaat dat misschien langzamer dan gewild, maar de eindresultaten zijn er wel naar. Het fotoarchief van De Schelde telt zo’n 120.000 negatieven. Daarvan zijn er nu ruim 4.000 daterende van voor de Tweede Wereldoorlog op het internet te zien. Van het grote tekeningenproject is nu het tweede deel afgerond. Twee jaar geleden kon op de Open Archievendag het eerste deel, te weten tekeningen van machines en ketels 1876-1938, worden getoond, nu was de marinescheepsbouw 1876-1956 aan de beurt.